Klonkel en de toverkol

Het gehele verhaal, langzaam aangevuld door nieuwe stukjes.

Ze vroeg om een sprookje. En niet zomaar een sprookje.. nee deze moet ook echt ergens over gaan. Een sprookje met moraal dus. Een boodschap, gegoten in de zoete taal van doornkapje en de zeven geitjes.

"Afzeiken doet ontwijken, bijdehand schept afstand"

---------------------------------------------------------------------

Klonkel en de toverkol I
Een bijzonder kind

Ergens hier ver vandaan, in een groot, donker bos is een open plek waar de zon altijd schijnt. Aan de rand van deze open plek staat een grote oude treurwilg. Ooit is de bliksem in deze grote oude boom geslagen en maakte een groot gat in de oude stam. Dit grote gat in deze oude grote boom is het huis van een honderdtal kaboutertjes.
Ze dragen paarse puntmutsjes, hebben allemaal zeeblauw haar, een brilletje en hele grote voeten voor zo'n klein lijfje.
Het is een vrolijk volkje. Het open veld is hun speelterrein, in het bos is eten in overvloed en de winter heeft geen grip op hun stukje bos, vanwege de altijd schijnende zon.
Ze leven rustig en in vrede. Iedereen is aardig voor elkaar, en ruzie komt niet voor. Ze kennen het niet eens.

In huisje drieendertig wonen Plonk en Nona met hun twee kabouterkindertjes Snoenie en Prom. Papa Plonk werkt als bouwkabouter in de grote boom en mama Nona loopt dagelijks met de kinderen naar school en geeft les in de 12e klas van de lagere school.
Snoenie, de oudste, gaat straks naar de 10e klas. Ze is erg goed op school en wil straks, net als mama juffie worden.
Prom is een echt kabouterjongetje. Altijd hameren en zagen, bouwen en breken. Misschien wil hij ook wel bouwkabouter worden later, maar op de muizen rijden om voedsel te verzamelen in het bos lijkt hem ook wel erg leuk.

Als papa Plonk stipt om zes uur de voordeur binnen stapt zet mama Nona de grote pan met Koeprasoep op tafel. "Hmmmmm! Koeprasoep! Mijn lievelings soep!" roept Plonk.
De kinderen wassen hun handjes voor ze aan tefel gaan en papa Plonk vouwt zijn handen in elkaar.
"Zo, lieve mama Nona, hoe was je dag vandaag?"
Mama Nona kijkt even naar haar schoot om vervolgens met een grote glimlach papa Plonk aan te kijken.
"Nou suikersnoetje, het is eindelijk zover..." zegt ze vrolijk.
De kabouterkinderen kijken elkaar vragend aan, en papa Plonk staat met een ruk op. Zo snel, dat zijn bestek op de grond valt en zijn Koeprasoep in het kommetje klotst.
"Echt waar mama Nona??? Is het echt waar?! Oh wat een geluk!" Papa Plonk neemt een sprong en tilt zijn vrouw hoog in de lucht.
"Voorzichtig nou lieverd... pas een beetje op nou" giegelt mama Nona.
Papa Plonk lacht het uit en zwiert mama Nona in de rondte.
"Een mini kaboutertje! Een derde frummelkrummel! Een klein droppekopje!" zingt papa Plonk.

Acht kabouterweken later beent papa Plonk voor de dokterskamer heen en weer. Hij kan niet stil zitten, en luistert naar ieder geluid dat van de andere kant van de muur komt.
Dan is het daar. Een kabaal van jewelste. Een brullen dat in de hele boom te horen is. Een mooiere aankondiging van een nieuwe bewoner van de boom is er niet.
Het hele dorp luisterd naar het brullen van dit mini kaboutertje. Het zagen en hameren stopt, de lessen op school liggen even stil, iedereen luistert naar de uithalen en begint te klappen.
"Welkom nieuwe bewoner! Welkom in de boom!" roepen alle kaboutertjes in koor.

Papa Plonk klapt en roept mee, en deelt klapsigaren uit in de wachtkamer van de dokter.
Hij loopt naar de deur waar zijn pasgeboren kabouterkindje is en hoort rare geluiden vanaf de andere kant komen.
Een vreemd geroezemoes, Een onbekend geluid. Iets wat hij niet eerder hoorde bij de geboorte van zijn Snoenie en Prom.
Een kabouterzustertje komt de wachtkamer in. Haar ogen zijn groter dan normaal en haar huidje is bleek. Geschokt kijkt
ze op zich heen, op zoek naar de vader van dit kabouterkindje.
"Meneer Plonk, uw, eh... zoon is geboren. Maar voor u naar binnen stapt moet ik u nog wel waarschuwen..." het zustertje
haalt diep adem en verzameld al haar moed.
"We weten niet precies wat er gebeurd is, en zullen uw zoon uitgebreid onderzoeken. We hopen dat het nog bij trekt, maar zoiets hebben we nog niet eerder gezien. We weten het eigenlijk niet..."

Geschrokken loopt papa Plonk de dokterskamer in en ziet mama Nona met een blij gezicht zijn kant op kijken.
"We hebben een zoon suikersnoetje! Kom snel kijken, hij is zo mooi!" zegt mama Nona.
Gerust gesteld door de glimlach van zijn vrouw komt hij dichterbij en bekijkt zijn zoon.

Een schok strekt door hem heen, en zijn ogen worden net zo groot als die van het zustertje. Hij hersteld zich en kust zijn mama Nona.
"Pas geboren, en nu al zo bijzonder, dat kan alleen ons kind zijn." zegt papa Plonk. Een klein bibbertje klinkt nog na in zijn stem. Bijzonder... Dat is zijn zoon zeker...

 

Klonkel en de toverkol II
Het kletsvrouwtje

Voorzichtig neemt papa Plonk zijn pasgeboren zoon over van mama Nona en bekijkt zijn knulletje.
“Een zoon.” Zei papa Plonk. “Hoe gaan we hem noemen mama Nona?”
“We hebben zo veel jongensnamen bedacht, maar nu hij er is passen ze geen van allen. Ik denk dan Klonkel veel beter bij hem past. Vind je niet suikersnoetje?” zei mama Nona.
“Klonkel... een prachtige naam voor zo’n prachtig kindje.” Zei papa Plonk voldaan.

Het geschrokken zustertje nam Klonkel over van papa Plonk en vertelde de verse ouders dat ze hem even mee nam voor wat onderzoekjes. “Er is vast niets aan de hand hoor, maar voor de zekerheid willen we hem extra bekijken.” Zei ze, nog steeds met een lichte shock in haar stem.

Papa Plonk kuste mama Nona nogmaals en stapte de dokterskamer uit. Buiten krabbelde hij even aan zijn hoofd en gaf een zucht. “Klonkeltje, Klonkeltje.” zuchtte hij. “Hoe kom je toch zo bijzonder...”

Op weg naar het Kabouterhuis werd hij door iedereen die hij tegen kwam gefeliciteerd. “Een kind met stevige longetjes papa Plonk! Ik was helemaal bovenin de boom en hoorde hem daar zelfs! Gefeliciteerd hoor!” Zei buurman Broes.
Buurman Broes woonde in huisje zesenvijftig en had wel zeven kindertjes. Broes werkte samen met Plonk en gingen na het werk regelmatig een glaasje moerselsap drinken. Het waren goede vrienden.

Bij het Kabouterhuis werd papa Plonk ontvangen met vrolijke blikken en het wenken van een zachtaardig kaboutervrouwtje achter de balie.

“Gefeliciteerd hoor, papa Plonk! Is het een jongen of een meisje? Zullen we gelijk het inschrijfformulier invullen? Dat is tenslotte waar u voor komt toch? Zo leuk vind ik dat, kleine kabouterkindjes, ik hoop zelf ook snel een kruimeltje te krijgen. Maar dat zal nog even op zich laten wachten denk ik. Slomter is nog lang niet terug van zijn reis en...”

Papa Plonk onderbrak de waterval van woorden van het vrouwtje achter de balie. Ze was heel vriendelijk en betrokken, maar ook zo’n enorme kletskous!
“Een jongen, en hij heet Klonkel.” zei papa Plonk.

Het kletsvrouwtje pakte het formulier en kruiste het vakje aan.
Met haar tong tussen haar lippen schreef ze K-l-o-n-k-e-l bovenaan het formulier.
Samen liepen ze de vragen door.
“Geboren op... 26 augustus 2006.”
“Moeders naam... Nona”
“Vaders naam... Plonk”
“Lengte... 32 millimeter”
“Gewicht... 7 en een halve gram”
“Kleur ogen... oceaangroen”
“Kleur haar... roze”

Verschrikt keek het kletsvrouwtje op. Haar pen schoot uit en de blosjes stonden op haar wangen. “Roze?” vroeg ze voorzichtig. Papa Plonk knikte. “Ja, hij heeft roze haar.”
“Roze. Róze... Echt waar? Meent u dat? Dat kan toch niet? Niemand heeft roze haar. Iedereen heeft zeeblauw haar! Helemaal niemand heeft... róze haar?!” zei het vrouwtje achter de balie verschrikt.

Het nieuws ging als een lopend vuurtje. De zoon van papa Plonk en mama Nona had roze haar. Er werd zelfs gefluisterd dat hij hele kleine voeten had. Zo klein, dat hij niet zoals gewoon met zijn voeten eerst geboren werd, maar met zijn hoofdje eerst. Dat hoofd waar dus roze haar op zit.

De blikken die papa Plonk kreeg op weg terug naar de dokterskamer waren anders dan gewoon. Geen felicitaties, geen groeten en het leek of de kabouters zijn blik ontweken. Af en toe hoorde papa Plonk ze zelfs fluisteren. Hij hoorde ze ‘roze’ en ‘kleine voeten’ zeggen. Het deerde hem niet. Tot hij ze hoorde fluisteren ‘Suikerspin-kind’.

 

Klonkel en de toverkol III
De eerste dag thuis

In de dokterskamer keek mama Nona naar het geschrokken zustertje terwijl deze haar Konkeltje grondig inspecteerde. Zijn bloed werd geprikt en met razende snelheid naar het lab gebracht. Zijn voeten werden gemeten, in de inkt gedoopt en op papier gezet alsof hij een misdadiger was. Zijn haar werd uitgeplozen en hij begon te huilen toen er een paar zuurstokroze haren uitgetrokken werden.

Hoe meer tests er gedaan werden hoe drukker het werd in de kamer. Dokters, zusters en zelfs een verdwaalde tandarts verdrukten zich om een glimp van het bijzondere kindje op te vangen. Het geschrokken zustertje werd bijna van haar werkzaamheden weg gerukt door alle koekeloerders en stuurde ongeschrokken iedereen de deur uit.

Mopperend verlieten de pottekijkers na een laatste blik de dokterskamer en lieten mama Nona en het zustertje alleen.
"Nou mama Nona, u heeft een heel bijzonder kindje op deze wereld gezet. Het ziet er naar uit dat hij helemaal gezond is. We wachten nog even op de uitslag van de bloedtest, maar ik denk dat hij alleen maar héél bijzonder is." zei het zustertje. "Dat denk ik ook." zei mama Nona met een zucht, en nam haar Klonkeltje weer in haar armen.

Ondanks dat er tientallen tests gedaan waren konden de doktoren helemaal niets vreemds vinden aan Klonkel, zijn kleine voeten en zuurstokroze haar niet meegerekend natuurlijk. Papa Plonk en mama Nona mochten eindelijk weer naar huis. Voor het eerst sinds de geboorte van hun knulletje waren ze samen en stil liepen ze naast elkaar.

Weer klonk er geroezemoes op straat. Een enkeling zei hen gedag, maar de meeste kabouters staarden alleen maar om snel weg te kijken als papa Plonk of mama Nona hun kant op keek. Papa Plonk zag het, hoorde het gefluister, maar mama Nona was zo in de wolken van haar roze wolkje dat ze al het andere om haar heen vergat.

Thuis in huisje drieëndertig wachtten Snoenie en Prom op de aankomst van hun nieuwe broertje. Buurman Broes uit huisje zesenvijftig stond gearmd met zijn vrouw Loela hen op te wachten en gezamelijk juigden ze toen het nieuwe gezinslid voor het eerst het huisje binnen kwam.
Klonkel werd gekust en geknuffeld en ging van schoot naar schoot tot mama Nona er genoeg van had en haar kruimeltje in zijn bedje legde. Beneden werd er gepraat. Over Klonkel en zijn prachtig roze haar, over zijn kleine voetjes die geheel in de hand van een volwassen kabouter kon verdwijnen maar vooral over het prachtige knulletje zelf.

Boven kuste mama Nona Klonkel op zijn roze haar en zuchtte.
"Dag lief suikerbuikje van me. Ik ben zo blij dat je er bent. Je bent zo prachtig met je roze haartjes, zo bijzonder, iedereen zal van je houden. Slaap lekker keuteltje..."

Zachtjes sloot ze de deur achter zich en liep terug naar de gezellige huiskamer, zich nog niet bewust van het feit dat niet iedereen zijn roze haar zou willen accepteren.

 

Klonkel en de toverkol IV
Ruzie met de broertjes Nops, Neeps en Nieps

Klonkel was een heerlijk knulletje. Altijd vrolijk, sliep vanaf dag één de hele nacht door en huilde bijna nooit. Een verademing voor Mama Nona en Papa Plonk. Hoe anders was het bij hun Prom geweest. Het jochie huilde en huilde, wilde niet eten, niet slapen, niet in bad en hij schreeuwde de hele boel bij elkaar als mama Nona de kamer uit ging. En als je weet dat kabouterlongen al volledig volgroeid zijn als ze geboren worden kan je je voorstellen hoeveel lawaai er uit zo'n klein kruimeltje kan komen.

Zo veel lawaai als Prom kon maken, zo rustig was Klonkel. Een ideaal kind die rustig groter werd. De doktoren (en Mama Nona stiekem ook) hadden zo hun twijfels over Klonkels kleine voetjes, en of hij er wel op zou kunnen lopen, maar toen Klonkel veel eerder dan verwacht zijn eerste stapjes deed werd duidelijk dat hij echt helemaal niets mankeerde.

Buurvrouw Loela, van huisje zesenvijftig, had al vele sokjes gehaakt voor Klonkels kleine voetjes en na dit nieuws spoedde ze zich naar huis voor echte schoentjes voor de krummel. In de hele boom waren zulke kleine schoentjes niet te vinden, ze waren tenslotte nog steeds meer dan de helft kleiner dan de voeten van een gemiddeld pas geboren kabouterkind.

Nu Klonkeltje kon lopen ging het allemaal hard. Hij groeide als kool en na een paar eerste woordjes duurde het niet lang voor hij hele kleuterzinnen zei. Hij speelde vaak met de drieling van Buurman Broes en Buurvrouw Loela en het viel Mama Nona op dat haar hummeltje niet alleen maar lekker met Nops, Neeps en Nieps speelde, maar ook vaak ruzies suste tussen de wildebrassen van broertjes. Vol verbazing keek ze naar de spelende vier knulletjes en hoe simpel en zachtaardig Klonkel dreigende uitbarstingen de kop in drukte.

Mama Nona zat met een kopje kruidenthee te kijken naar de drieling en Klonkel, zoet spelend met de zelfgemaakte treinset van Papa Plonk toen het opeens mis ging.
Neeps was het niet eens met de rechte rails en trok deze uit de baan om ze te vervangen door gebogen stukken. Nops reed net met zijn treintje over dat stuk en de trein vloog uit de baan. Nieps mengde zich in de ruzie, al was het alleen maar omdat hij ook mee wilde doen, en Klonkel keek ze aan.
Net als de vorige keren wilde hij de ruzie sussen, maar in plaats daarvan keerden de drie broertjes zicht tegen Klonkel.
Voor de eerste keer hadden ze ruzie met Klonkel, en hij wist niet wat hij moest doen.

Ruzie tussen anderen, daar kon hij wel mee omgaan, maar als ze ruzie hadden met hem... De paniek stond in zijn oogjes en huilend rende hij naar de veilige armen van Mama Nona. Hij leek dan wel behoorlijk wijs, maar het was nog maar een kleutertje en kon niet omgaan met de onaardigheid van iemand anders. Hij begreep het niet, snapte niet wat hij fout gedaan had en onaardig doen naar iemand lag zo niet in zijn aard dat hij net begreep waarom ze dat tegen hem waren.

Mama Nona troostte haar knul en gelukkig kwam Buurvrouw
Loela net binnen om haar donderstenen op te halen.
Zelfs toen Klonkel die avond in zijn bedje gelegd werd was hij er nog beduust van. Waarom deed iemand nou onaardig tegen hem?

Beneden vertelde mama Nona Papa Plonk wat er gebeurd was. Over de ruzie die zich keerde naar Klonkel en hoe hij daar op reageerde. Ze was ongerust.
Papa Plonk niet, hij maakte zich niet zo snel druk.
Maar mama Nona zou gelijk krijgen. Zijn onkunde jegens onaardigheid naar hem toe zou behoorlijk lastig voor hem worden als hij straks naar school ging...

 

Klonkel en de toverkol V
De Pinkeltuin

"Klonkel! Kom, suikersnoetje... we komen nog te laat op je eerste dag!"
Mama Nona staat onder aan de wenteltrap, een blauw rugtasje gevuld met broodjes, een vers roeja sapje en wat lekkers, in haar hand. Konkel is boven in zijn kamertje, op zoek naar zijn rechter schoen die hij uiteraard weer kwijt is. "Ik kan mijn schoen niet vinden mama!" roept hij richting de deur, half onder zijn bed gekropen. Mama Nona zet het rugtasje op de grond en loopt de trap op, om halverwege de wenteltrap Klonkels rechter schoen te vinden.

Ze stapt Konkels slaapkamertje binnen en vind hem diep in de kast, nog meer rommel makend. "Dreuteltje, hier is je schoen. En nu een beetje opschieten, we moeten nu echt weg."

Huppelend springt Klonkel om mama Nona heen, op weg naar de kleuterschool 'De Pinkeltuin'. Vandaag is zijn allereerste schooldag en hij kan niet wachten om te leren lezen en schrijven. Als papa Plonk thuis kwam van zijn werk, en hij in zijn luie stoel de krant pakte, sprong Klonkel op zijn schoot en 'las' mee. Af en toe las papa Plonk iets voor en als hij klaar was met lezen, las Klonkel voor. Verhalen over muizenrijders, en de wereld buiten de grote holle boom, hij schudde ze allemaal uit zijn mouw. En ondanks dat hij dat heel leuk vond, wilde hij nou eindelijk wel eens leren wat al die rare tekentjes nou toch betekenden.

Ze waren laat. Niet heel verschrikkelijk laat, maar wel als laatste in het klaslokaal. Alle kabouterkinderen hadden al een plekje in de kring uitgezocht, en de eerste vriendschapen waren al gesloten toen Klonkel de klas in stapte. De kinderstemmetjes stierven weg toen Klonkel opgemerkt werd. Kleine kinderoogjes vielen bijna uit hun kleine oogkasjes en je kon een speld horen vallen. Klonkel doorbrak de stilte door vrolijk Hallo te zeggen. Niemand zei iets terug. Er werd alleen naar hem gekeken.

Een grote knul stond op. Hij zag er helemaal niet uit als een kleuter en met zijn drie turven hoog torende hij boven iedereen uit. Hij had kort stekelig haar en een rond gezicht, net als zijn buik. Hij zette zijn mollige knuistjes in zijn zij en keek Klonkel uitdagend aan.
"Wat ben jij voor een raar kaboutertje! Met je stomme haar! Wat een stomme kleur zeg. En wat is er met je voeten gebeurd? Heb je wel voeten? Jeetje, wat ben jij stom zeg!"
Een paar kinderen lachten en wezen naar Klonkel, de rest zat met ogen als schoteltjes stomverbaast naar Klonkel te kijken.

Klonkel keek naar de grond, en naar zijn voeten. Tuurlijk had hij voeten! Wat een stomme opmerking van die grote jongen. "Ik heb geen rare voeten, en ook geen stom haar. Mama zegt dat ik heel mooi haar heb." piepte Klonkel.
"Je hebt wèl rare voeten! En héél stom haar! Stommerd!" riep de grote jongen. Nu lachtte de hele klas met de grote jongen mee. Ze wezen naar hem en zijn voeten en Klonkel kromp ineen.

Gelukkig stapte Juffie Loema op dat moment binnen en de klas werd stil. Ze legde haar hand op Klonkels schouder en bewoog hem richting een stoeltje.
"Kom lieverd, zoek een plekje uit." zei Juffie Loema zacht tegen hem. Klonkel keek omhoog en keek in twee grote ronde ogen, zo groen als het bos. Juffie Loema lachtte haar tanden bloot en een prachtige rij witte parels kwamen tevoorschijn. Haar blauwe haar golfde over haar schouders en ze had zo'n lief gezicht dat Klonkel er helemaal verlegen van werd.

Schorvoetend liep hij naar een vrij stoeltje in de kring. De kinderen naast het vrije stoeltje legden hun hand op de zitting en siste hem toe dat hij daar niet mocht zitten en bij het volgende lege stoeltje kreeg hij de zelfde reactie. Verdrietig keek hij de kring rond. Niemand keek hem aan en ze deden allemaal alsof hij niet bestond. De grote jongen keek hem uitdagend aan en lachte hem in stilte uit.

Een lief stemmetje sprak zachtjes achter hem, en Klonkel draaide zich om. Een klein meisje met een woeste bos krullen lachtte naar hem.
"Je mag hier zitten hoor, hier is nog een stoel vrij."
Opgelucht liep hij snel naar het lege plekje en ging zitten, voor ze zich kon bedenken.
"Ik ben Azoora, wie ben jij?" fluisterde het meisje.
"Dank je wel, Azoora. Ik heet Klonkel."